Evocircadian Kenniscentrum
« Vorige

Energie

Energie

Onze brein is de grootste energieslurper van ons lichaam. Het weegt weliswaar maar ongeveer 1,5 kg maar eist 25 procent van de beschikbare bloedsuiker en 25 procent van de beschikbare zuurstof in ons lichaam. Energie is, in tegenstelling tot wat we vaak denken, niet eindeloos beschikbaar en is daardoor heel duur in de natuur. Je kunt het vergelijken met onze euro, ook deze kan maar één keer worden uitgegeven.

 

Om ons brein constant van energie te kunnen voorzien, is er in eerste instantie bloedsuiker (glucose) nodig. Deze komt voornamelijk via koolhydraten ons lichaam binnen, maar in tegenstelling tot onze moderne tijd had de mens vroeger niet altijd de beschikking over koolhydraten en vooral in de winter waren koolhydraten schaars.

De mens moet dus energie kunnen opslaan voor slechtere tijden. Het energiemetabolisme is veranderlijk, omdat opslag van energie het doel is. De ‘ideale overlevende’ is diegene die energie het best kan opslaan en kan overleven in tijden van schaarste.

 

Vetweefsel is in het lichaam het belangrijkste orgaan voor energiemanagement. Dus lichaamsvet is eigenlijk een opslagmagazijn voor energie in slechtere tijden, waarbij twee organen altijd als eerste door de natuur van energie voorzien worden, namelijk ons brein en ons hart.

 

Dagelijkse energieverbruik is nodig voor

  • Ons metabolisme
  • Regulatie van lichaamstemperatuur
  • Activiteiten
  • Thermische regulatie van het voedsel
  • Reproductie
  • Groei
  • Verandering van lichaamssamenstelling

 

De verschillende energie behoeften moeten gehaald worden uit

  • Voedselinname: korte termijn energie
  • Glycogeen (dierlijk zetmeel) in lever en spieren: korte termijn energie
  • Afbraak triglyceriden uit vetweefsel depots: lange termijn energie

 

Vetweefsel heeft een aantal functies

  • Het is een bron van opgeslagen energie
  • Isolatie ter voorkoming van warmteverlies
  • Als kussen om de interne organen te beschermen
  • Als hormoon- en immuunfactoren producerend orgaan
  • Ter voorkoming van vettoxiciteit. Een vetoverschot kan giftig zijn voor het lichaam
 

Lichaamsvet is een actief lichaamsorgaan dat betrokken is bij veel processen en dat belangrijk is voor de menselijke gezondheid

 

Twee soorten vetweefsels met twee functies                                                                                                     

Het is al 60 jaar bekend dat het risico op hart- en vaatziekten, overgewicht, obesitas en andere chronische aandoeningen vooral een relatie hebben met lichaamsvetdistributie (de plekken waar zich in het lichaam lichaamsvet bevindt) en dat dit een veel belangrijkere rol speelt dan de totale hoeveelheid lichaamsvet.                                                                                                           

Vetweefsel bestaat niet uit één specifiek soort vet. Het heeft verschillende vormen, met weefselspecifieke plaatselijke depots. Lichaamsvet kan verdeeld worden in twee componenten: subcutaan vet -onderhuids vet dat zich voornamelijk op de heupen bevindt- en visceraal vet, dat zich vooral als buikvet laat gelden.  

Mensen met meer visceraal buikvet hebben een beduidend groter risico op chronische aandoeningen dan mensen met meer subcutaan vet.   

                                                                                                                                                                                        

De 2 soorten vet hebben namelijk 2 totaal verschillende functies, het subcutaan vet op de heupen van de vrouw is bedoeld voor de hersenen van de baby. Dit vet is namelijk rijk aan DHA, een omega 3 vetzuur die zeer belangrijk is voor de hersenen van de nog te ontwikkelen baby. Dit vetzuur wordt vrijgemaakt zodra de vrouw zwanger is, waardoor de foetus deze DHA tot zich kan nemen. Echter de grootste groei van de hersenen van de baby vindt in de eerste maanden na de geboorte plaats, en de DHA wordt dan via de borstvoeding aan de baby geleverd.

Visceraal vet daarentegen is rijk aan immuunfactoren en hormonen en wordt meer gezien als een ondersteuning voor ons immuunsysteem.

 

Subcutaan vet kan als reproductieve energie beschouwd worden. Visceraal vet kan gezien worden als defensie of immuun energie.

 

Vetweefsel als hormoonproducerend orgaan

Het vetweefsel is één van de grootste organen van ons lichaam en kan variëren van 10 tot 50% van het lichaamsgewicht. Door vetweefsel worden meer dan 20 verschillende hormonen of hormoonachtige stoffen aan het lichaam afgegeven die elders in het lichaam via receptoren op de doelcellen hun werking uitoefenen. Tot deze hormonen behoren onder meer oestrogeen en leptine. Vetweefsel is dus net als de bijnier, schildklier en alvleesklier een endocrien orgaan.

Bij toename van het vetweefsel verandert ook de afgifte van de hormonen. In veel gevallen worden dan grotere hoeveelheden afgescheiden, zoals van oestrogeen en leptine. Er kan dan ook leptine-resistentie ontstaan, vergelijkbaar met insulineresistentie.

 

Het vrouwelijk hormoon oestrogeen wordt in het vetweefsel gevormd uit androgenen (o.a. testosteron) door het enzym aromatase.

Vetweefsel is metabolisch sterk actief. Een aanmerkelijke toename van vetweefsel heeft hormonale gevolgen. Dat geldt ook voor de immuunfunctie. De gezondheidsgevolgen op langere termijn zijn vergelijkbaar met die van een aanmerkelijke vergroting van bijvoorbeeld de bijnier of de schildklier. Een naar verhouding dikker wordend persoon verandert dus niet alleen qua uiterlijk, maar zeker ook van binnen. Zo zal een dikke man innerlijk en uiterlijk meer “vrouwelijke” trekken krijgen, vooral op middelbare en oudere leeftijd. Meer testosteron (androgenen) wordt dan in het lichaamsvet omgezet naar oestrogeen.

 

Mannen en vrouwen, testosteron en oestradiol

Sekshormonen bepalen waar vet wordt opgeslagen. We zien dit terug in het feit dat mannen een andere vetopslag hebben dan vrouwen. Mannen en vrouwen hebben niet alleen verschillen in de hoeveelheid vet, maar ook in de patronen van vetafzetting op hun lichaam. We zien dit al terug bij baby en kind. Meisjes en vrouwen hebben meer vetafzetting op dijen en billen terwijl mannen meer buikvet hebben. Vrouwen hebben meer subcutaan vet en mannen meer visceraal vet. Gemiddeld heeft de man 10-20% visceraal vet van het totale vet en de vrouw heeft gemiddeld 5-8%. De vrouw heeft 1.5 kg meer subcutaan vet dan de man. Gedurende de vruchtbare periode en vooral tijdens de zwangerschap slaan vrouwen subcutaan vet op. De hoeveelheid visceraal vet neemt ook met het ouder worden toe.

Gemiddeld is de hoeveelheid vet bij mannen 14%-15% en bij vrouwen 21%- 23% van het lichaamsgewicht. Deze verschillen beginnen al bij de geboorte en worden in de puberteit versterkt. Ze worden veroorzaakt door hormonale en metabolische verschillen tussen de seksen. Zo zullen androgenen (testosteron) meer energie naar de spieren sturen terwijl oestrogenen het meer richting het subcutaan vetweefsel sturen. Dit is een min of meer evolutionair gegeven.

 

In vetweefsel worden verschillende enzymen geproduceerd waaronder aromatase, dat androgenen omzet naar oestrogenen. Hierdoor worden dikke mannen met veel buikvet hyperoestrogeen (veel oestrogeen) en hypoandrogeen (laag testosteron) waardoor ze vrouwelijker worden.

 

Mannen hebben niet alleen meer visceraal vet, ook de afbraak en opbouw  ervan gaat bij mannen sneller.

Oestrogenen en androgenen zijn sterk bepalend voor het soort lichaamsvet (visceraal-subcutaan).

Androgenen stimuleren de aanmaak van visceraal vet. Oestradiol zorgt voor meer subcutaan vet.

 

Een tekort aan oestrogenen leidt tot gewichtstoename en meer visceraal vet.

 

Vet is voor het vrouwelijke reproductiesysteem belangrijker dan voor het mannelijke. Ondanks het feit dat vrouwen een grotere hoeveelheid lichaamsvet hebben dan mannen blijkt de insulinegevoeligheid bij vrouwen beduidend minder te worden beïnvloed door de hoeveelheid lichaamsvet dan bij mannen.

 

Geschreven op: 01-07-2020